27-04-18

Kruisabèle, zaterdag 27 april 1918

1918-04-27-dagboek.jpg

Reigersvliet. Sinds eergisteren zijn we terug in de loopgraven.

Verkenning in het niemandsland. We zwerven eerst lange tijd rond onze stellingen en met de eerste klaarte vorderen we een honderdtal meter in de richting van de vijandelijke lijnen. Niets te bespeuren. Van links sluipen we naar de sector rechts. Het wordt klaarder en je kunt gemakkelijk driehonderd meter ver kijken. De afstand tussen de frontlijnen bedraagt enkele honderden meter. We nemen zelf een vooruitgeschoven punt in. De Duitsers geven geen teken van leven. Er wordt geen schot gelost. Bij de terugkeer vul ik mijn helm met eendeneieren (ze zijn, helaas, alle bebroed). Wat verder doen we een lugubere ontdekking. In de grootste wanorde liggen daar drinkflessen, schoppen, knapzakken, helmen, kogels ... geweren, karabijnen en een lichte mitrailleur naar onze posten gericht. Daarbij ligt een dode Duitser uitgestrekt op de rug, in zulke goede staat als was hij maar gisteren neergeveld. Hij moet er zeker al twee maand liggen. Dan treffen we nog andere lijken aan. Op één lichaam vinden we een nauwkeurig gedrukt plan van onze voorposten. Het draagt twee eretekens, waaronder het ijzeren kruis.

Zwaar beladen keren we terug. Een van onze verplaatste machinegeweren houdt ons voor vijanden en ratelt (ze waren niet verwittigd van onze uitstap en wij hadden niet gedacht langs daar terug te keren). Ze schieten tekort en gealarmeerd door onze angstige noodtekens, staken ze het vuren. We zijn net op tijd terug, want het wordt dag. We willen de gesneuvelde Duitsers vannacht begraven, maar we worden vanavond al afgelost. [1]

 

[1] André Gysel, Gaston Le Roy, dagboek van een Vlaamse Oorlogsvrijwilliger tijdens WO1, Lannoo

19:00 Gepost in Blog | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.